De tentoonstelling ‘Alchemie van het alledaagse’ in de Kunsthal trekt veel bekijks en publiciteit. Rudolf Steiner en zijn antroposofie lijken bijna een hype te zijn geworden in Rotterdam. Bij mij roept dit een plezierig gevoel van herkenning op. Daar horen ook enkele vragen bij.

Een van die vragen spreekt bijna vanzelf. Er zijn vast veel mensen, toch, die nu willen weten ‘Wie was Rudolf Steiner en wat is antroposofie?’

Die laatste vraag krijgt een begin van een antwoord in een boek dat vorige maand verscheen: ‘Wat is antroposofie? Het raadsel van het ik van de mens’ (ISBN 978-90-9028285-5). De auteur (1938) is rustend antroposofisch huisarts en en was hier in Rotterdam bijna een kwart eeuw een belangrijke vertegenwoordiger van de Antroposofische Vereniging in Nederland. In 2010 publiceerde hij een klein boekje onder de titel ‘Het raadsel van de materie’. De recensent voor de Openbare Bibliotheken had lof voor dit boekje en noemde het zelfs bruikbaar voor iemand die een eerste kennismaking met de antroposofie zoekt. Dat laatste geldt nog veel sterker voor dit boek. Jan Zee heeft zich het werk van Steiner door vele jaren studie zo grondig eigen gemaakt, dat hij een heldere en absoluut geloofwaardige authentieke samenvatting ervan heeft kunnen geven.

Jan ZeeDe Kunsthalmanifestatie roept nog een andere actuele en relevante vraag op. Die krijgt een ander antwoord. De vraag wordt aangereikt in een artikel in Trouw van 13 september: ‘“Er is dus géén boek over de antroposofie dat niet door een antroposoof zelf is geschreven?”, vroeg Michael Schaap alias “De Hokjesman” vorig jaar vertwijfeld in zijn gelijknamige tv-programma [21 februari 2013, VPRO]. Schaap zoekt in die aflevering naar antroposofen in Nederland, en komt tot de ontdekking dat de antroposofie voor de één wetenschap is, voor de ander religie, maar dat zelfs de meest fanatieke biologisch- dynamisch etende, euritmie-dansende, naar homeopatische dokters en Vrije School gaande mensen zichzelf niet snel “antroposoof” noemen’.

Nee, is mijn antwoord. Zo’n boek dat van buiten af samenvat wat antroposofie is, is er dus nog steeds niet. Een bruikbare tekst over wat een antroposoof is, is er nog minder. De vraag hoe dat komt, stelt Jan Zee niet aan de orde. Daarom doe ik dat hier.

Ik neem in een eigen formulering de omschrijving van ‘antroposofie’ over van de website van de Antroposofische Vereniging. ‘Antroposofie is een weg tot kennis over de werkelijkheid zoals die echt is, inclusief de mens en jouzelf, die in deze tijd iedereen kan gaan. De enige voorwaarde om die weg te vinden is dat je uit jezelf die kennis wilt gaan zoeken’, hertaal ik.

In die karakterisering vallen twee bijzonderheden op. (1) Blijkbaar bestaat er zoiets als de werkelijkheid zoals die echt is en kan de mens die leren kennen en begrijpen. Dat is in strijd met elke andere nu gangbare opvatting over kennis. Dat lees of hoor je nergens anders. (2) Maar wie die weg niet uit zichzelf zoekt, zal die niet vinden. In een parafrase op een bekende uitspraak van Heer Olivier B. Bommel uit de Tom Poes verhalen van Marten Toonder, ‘Ik wist niet dat ik het in mij had’: iedereen heeft het in zich, maar dit ‘weten’ moet wel door jouzelf operationeel gemaakt worden.

Antroposofie legt uit wat daarmee bedoeld wordt. De mens is geschapen met in zichzelf een ‘microkosmos’, een virtuele miniatuur-replica van de schepping. Daarin ligt alles besloten wat je zou kunnen willen weten. Een antroposoof is iemand die uit zichzelf tussen zijn eigen eigen PBW (= Persoonlijke Binnen- Wereld; wat vroeger ‘de ziel’ heette) en alles wat Steiner heeft gezien en geleerd, een snelkoppeling heeft geconstrueerd, onderhoudt en bijwerkt, en die uit al dit werk hieraan veel inspiratie put voor leven en werk. Dat werk is een onversneden persoonlijke zaak, en de ene antroposoof werkt efficiënter dan de andere via die snelkoppeling. Met dit boek heeft Jan Zee er voortreffelijk mee gewerkt. Andere antroposofen doen het op een andere manier en die kan even goed heel goed zijn.

Hugo Verbrugh