Toen ik studeerde, intussen ruim een halve eeuw geleden, waren de examens mondeling. Vaak begon de examinator met: ‘Meneer, waar wilt u het over hebben?’ Die vraag had je als student voorbereid en die gaf je de mogelijkheid de eerste minuten van het gesprek zelf te sturen. ‘Het gesprek sturen’ in het onderwijs, en de vraag ‘wie stuurt en in welke richting gaat het gesprek?’ – daar gaat dit stukje over. Over dit onderwerp heb ik een boekje geschreven dat net verschenen is. Dat is natuurlijk een mooi onderwerp voor in De Ster, maar omdat eigen roem stinkt heb ik mijn goede vriend Aart van der Stel gevraagd deze week weer eens als gast-columnist op te treden. HV

Ik heet Aart omdat mijn ouders mij die naam gegeven hebben. Ze hadden mij ook anders kunnen noemen, maar omdat mijn ene grootvader zo heette, was het onvermijdelijk dat ik in dit leven die naam draag. En ik heb er vrede mee, sterker nog: ik vind het echt mijn naam. Eigenlijk is dat een beetje gek, want ik heb hem van buitenaf opgelegd gekregen en er niet zelf voor gekozen. Ik ken ook redelijk wat mensen die, vaak op latere leeftijd, hun naam veranderd hebben omdat ze zich in de naam die ze hadden niet thuis voelden. Soms hebben ze zelfs voor een andere achternaam gekozen. Het is dus blijkbaar niet zo vanzelfsprekend dat je de naam hebt die bij je past en het is blijkbaar ook zo dat je weliswaar die naam van iemand anders krijgt, maar dat die op termijn toch van jezelf wordt. Alsof je iets van buitenaf opvult met jezelf. Een beetje van… en een beetje van jezelf, zoiets. Zo is ook mijn eigen ervaring: ‘Aart’ past bij mij en ik zou echt niet weten hoe ik anders zou moeten heten. Ik ben Aart!

Deze hele inleiding gaat over identiteit. Hoe word je iemand en hoe komt het dat we onszelf ervaren als een iemand? Dat is helemaal geen vanzelfsprekendheid. Er zijn genoeg mensen, bijvoorbeeld zij met een verstandelijke beperking, die grote moeite hebben om zich als een individu te ervaren. Waar komt het vandaan, dat we ons een individu voelen? Aan je lichaam kun je dat niet ontlenen, want, met enige variatie uiteraard, is dat ongeveer hetzelfde als dat van je buurman of – vrouw. En dat een ander mens tegen je zegt dat er niemand is zoals jij, heeft ook maar een beperkte houdbaarheid. Dat ‘mag geen naam hebben’. Nee, het krijgen en houden van een gevoel van uniek zijn, een ‘iemand’ zijn, is helemaal je eigen activiteit. Ik vergelijk het graag met het opbouwen van ons immuunsysteem. Door jarenlang allerlei bacteriën en virussen onschadelijk te moeten maken ontwikkelen we een (immunologisch) geheugen, waarin alle informatie over mogelijke bestrijdingsmethoden t.a.v. ongewenste binnendringers ligt opgeslagen. Dat geheugen annex immuunsysteem stelt ons in staat om zelf te bepalen wat we in ons lichaam toelaten en wat niet, oftewel wat ‘ik’ is en bij mij hoort, en wat ‘niet-ik’ is, mij nergens mee van dienst kan zijn en buitengesloten moet worden. Een splinter is zo ‘niet-ik’ en een boterham op termijn wel ‘ik’. En wat ik hier voor ons lichamelijke geheugen, ons immuunapparaat, opschrijf, geldt net zo voor minder lichamelijke input, voor alles wat ik in mij leven heb meegemaakt en heb opgeslagen in mijn geheugen.

Het is interessant om je te bedenken dat we niet zomaar van alles onthouden (en weer kunnen herinneren) maar dat we aan al die herinneringen een persoonlijk kleurtje geven. Dat gaat onbewust en daar hoef je niets voor te doen. Ook al maak je met elkaar precies dezelfde dingen mee, je herinneringen daaraan zijn toch steeds weer een beetje anders. De indrukken die je binnen krijgt via je zintuigen zijn de objectieve gegevens, waarmee je het steeds persoonlijker wordende geheugen vult. En dat stopt nooit! Het geheugen blijft groeien en wordt dus steeds persoonlijker. Je kunt rustig stellen dat ons geheugen een van de belangrijkste bijdragen levert aan het gevoel een persoon te zijn. Ik, Aart, ben mijn geheugen, waarin zich de neerslag bevindt van mijn leven tot nu toe. Wetenschappelijk gezien is het overigens nog steeds geen uitgemaakte zaak waar het geheugen zich nu bevindt. Waar in mijn lijf moet je naar het geheugen zoeken? De hersenen zijn de meest aangewezen plek om dit kostbare bezit te huisvesten, maar zeker is het niet.

Een interessant bijproduct van ons geheugen is het groeiend vermogen om dingen en mensen te herkennen. We vergelijken nieuwe indrukken steeds met dat wat we al weten. En dat wat we al weten wordt steeds algemener, universeler. Wanneer we in een nieuwe, ons onbekende ruimte binnenkomen, zullen we heel snel zien waar we op kunnen zitten. We hebben al zoveel stoelen in ons leven meegemaakt, dat we een soort universele stoel in ons hebben, die we als het ware naast al die voorwerpen houden welke in de ruimte aanwezig zijn. We beschikken zo over een enorm aantal zogenaamde begrippen, dingen die we ooit begrepen hebben en de waan van de dag overstijgen als een soort algemene waarheden. Tegenover de objectieve buitenwereld ontstaat zo een heel persoonlijke, met begrippen gevulde, binnenwereld.

Het zou dus best eens zo kunnen zijn dat mijn identiteit, mijn ‘Aart-zijn’, ontstaat op basis van drie elementen. Ten eerste is daar alles wat van buiten naar binnen komt, via mijn zintuigen en mijn stofwisseling, die informatie, waaronder de naam die mijn goede ouders mij gegeven hebben. Daar staat ten tweede mijn geheugen tegenover, dat van binnenuit kennisneemt van de ‘inkomende post’, daar iets van vindt, het herkent, binnenhaalt of afweert. En ten derde, en dat is mogelijk het belangrijkste element, iets daar tussenin, dat waar we in de loop van onze eerste jaren ‘ik’ tegen gaan zeggen. Dat ik-gevoel, van waaruit we keuzes maken t.a.v. de stroom gegevens uit de buitenwereld, verbindt de objectieve feitjes uit de buitenwereld met de algemenere begrippen, waarmee het geheugen ons in de loop van het leven verbindt. In de dynamiek tussen binnen en buiten gaat zo, hoe ouder je wordt, steeds meer zichtbaar worden wie je bent. Eerst heet je Aart en langzaam maar zeker word je Aart.

oudheid

Bovenstaande gedachten kwamen bij me op toen ik het nieuwe boekje van Hugo Verbrugh las, getiteld De Naam van het Probleem, waarin hij een filosofische onderbouwing schetst voor dat wat in het moderne onderwijs Probleem Gestuurd Onderwijs (PGO) heet. Het komt er daarbij op neer dat studenten een probleem voorgeschoteld krijgen en, onder leiding van een docent, op zoek gaan in bijvoorbeeld de literatuur, naar de oplossing. Dat is dus heel iets anders dan college krijgen, waarbij de kennis panklaar wordt opgediend, wat door de student van nu als heel saai en weinig inspirerend wordt ervaren. Bij het PGO zie je eenzelfde dynamiek als hierboven beschreven voor het verwerven van een identiteit: het probleem komt van buitenaf, de student voelt zich (van binnenuit) geprikkeld om er iets van te vinden en het op te lossen, het vervolgens voor de rest van zijn leven te bewaren in zijn beroepsgeheugen en wordt ‘en passant’ al onderzoekend en worstelend met de materie ook steeds meer (beroeps) mens. Ook in ons beroep moeten we groeien en een iemand worden. En wat betreft je beroepsnaam: eerst leer je voor psycholoog en later ben je het. Maar het is nog een heel probleem om een naam te zijn en niet alleen maar zo te heten!

Aart van der Stel