Studentenpastor Theo Koster in Nijmegen krijgt er steeds meer mee te maken: studenten die na enige tijd studie totaal opgebrand zijn door wat ze aan de universiteit allemaal moeten leren en zodoende nog meer meemaken. In NRC Handelsblad van 22 maart vertelde hij erover. ‘Het heeft volgens hem te maken met de groeiende nadruk op presteren. Alles draait om excellentie. … Koster vindt dat de universiteiten falen. Ze zijn de laatste tien, vijftien jaar te veel nadruk op prestaties gaan leggen. Er wordt gepronkt met alle binnengehaalde prijzen, met publicaties in toptijdschriften. Maar de studietijd is ook een cruciale periode voor de persoonlijke vorming. Dat staat nu veel te veel op de achtergrond, vindt Koster. Hij ziet die prestatiedruk in de hele samenleving. “Maar je zou willen dat juist universiteiten dit spelletje doorhebben en er niet aan meedoen.” Helaas, dat doen ze wel.
Ik herken wat Koster zegt. In een boekje dat ik met twee vrienden heb geschreven over vernieuwing van het universitaire onderwijs, besteed ik aandacht aan dat probleem. De titel van het boekje is zelfs ‘De naam van het probleem’. In vorige nummers van De Ster kwam het al even ter sprake. ‘Laat de studenten in eerste instantie zelf de problemen kiezen waaraan ze willen werken’, is het USP, het Unique Selling Point, de kern van de boodschap van dit boekje. Spreek ze aan op wat ze voelen en willen en laat ze meedenken over de richting waarin ze met die problemen willen gaan.
Deze week geef ik nog een filosofische aanvulling op die boodschap. De opmaat is een artikel van Ger Groot in de krant van 14 maart onder de titel ‘De moderniteit is tien eeuwen oud’. Hij geeft een essentiële correctie op de gangbare opvatting dat het moderne denken pas omstreeks 1600, met René Descartes en tijdgenoten begon. Over Bernardus van Clairvaux, de eerste helft van de twaalfde eeuw, schrijft Groot dat ook in zijn teksten al ‘intellectuele brille schuilt en dat alleen ons vooroordeel over de duistere Middeleeuwen maakt dat we die teksten aan de kant schuiven. En bovenal legde die christelijke geestelijkheid toen al de grondslag voor de vrijheid van het individu’.
Dat is pikant, want deze Bernardus was niet alleen de leermeester, maar daarna vooral de grote tegenspeler van Pierre Abélard, de hoofdpersoon van ‘De naam van het probleem’. In het Voorwoord bij het boekje citeert Henk Schmidt, onlangs afgetreden als rector van de EUR, hoe deze Bernardus van Clairvaux zijn voormalige leerling verpletterend typeert in deze woorden: ‘Op deze manier eigent de menselijke geest zich alles toe en houdt niets voor aan het geloof. Hij streeft na wat hoger is dan hijzelf, hij doorvorst hetgeen sterker is dan hijzelf, hij stort zich op de goddelijke geheimenissen, hij ontwijdt de heilige dingen veel meer dan dat hij ze verheldert; hij opent niet wat gesloten en verzegeld is, hij verscheurt het; en alles wat hij zelf niet inzichtelijk acht, beschouwt hij als onbeduidend en hij versmaadt het er geloof aan te hechten.’
Het kost enige verbeeldingskracht, maar als ik die opbreng, herken ik iets heel moderns in Bernardus’ diatribe (= adequaat filosofisch onderbouwd kritisch commentaar op een actueel thema). Het klinkt voor mij echt als een omgekeerde echo van de kritiek van Theo Koster. Juist in de vroeger ‘Katholieke Universiteit’ geheten instelling voor wetenschappelijk onderwijs in Nijmegen zouden ze daar begrip voor moeten hebben, toch?
Het plaatje bij dit stukje stond ook bij het artikel van Ger Groot in NRC Handelsblad.
recent commentaar