‘In de grote steden neemt de politie maatregelen om door rapmuziek geïnspireerd geweld te voorkomen’, las ik 27 december vorig jaar in Trouw. ‘De politie maakt zich zorgen over de populariteit van drillmuziek onder jongeren in de Randstad. In de muziek, afkomstig uit de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, wordt geweld verheerlijkt. Binnen de bijbehorende straatcultuur worden die teksten ook in daden omgezet. Daarom neemt de politie in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam extra maatregelen. ‘
Het nieuws deed me denken aan een stukje dat ik in maart 2002 in het maandblad ‘O Dokter’ van Erasmus MC schreef. Omdat ik nog in een vakantiestemmng ben na de twaalf heilige nachten, maak ik het mezelf gemakkelijk en knip en plak het hele stukje gewoon hieronder.
Een week of wat geleden moest ik naar Utrecht – voor een vergadering van het bestuur van de Vereniging voor Filosofie en Geneeskunde over de volgende jaarvergadering. Plaats van de handeling: een café in het Jaarbeurs-complex, tijd: begin van de avond. Niets vermoedend wandelde ik van de trein naar ons stamcafé, maar daar wachtte mij een onaangename verrassing. Het bleek het einde te zijn van de eerste dag van een of andere beurs waar handelaars in overbodige hebbedingetjes en andere prullaria hun waren konden komen uitzoeken, en ter verhoging van de feestvreugde was de plaats waar we altijd vergaderen ingenomen door een band – een rock- of pop- of rap- of folk– of soul– of hoe-het-ook-heten-mag-band oftewel een gezelschap overwegend jonge lieden die met behulp van verschillende instrumenten ritmisch lawaai maken dat elektronisch versterkt de ruimte vult. Ik weet niet wat de verschillen zijn tussen de door mij gespecificeerde sub-genres, en wil dat ook niet weten. Op zijn laatst nu snapt de lezer dat ik niet erg gesteld ben op het geluid dat zulke bands voortbrengen (het woord ´muziek´ weiger ik al helemaal daarbij te gebruiken).
De uiterlijke gebeurtenissen zijn gauw verteld. Ik wachtte op mijn medebestuursleden, en in gebarentaal (akoestische communicatie was niet meer mogelijk) spraken we af een veilig heenkomen te zoeken in de stationsrestauratie. Daar vonden we relatieve rust (´relatieve´, want ook daar kwijlt onuitstaanbaar geluid van het plafond, alleen niet zo hard dat je elkaar niet kunt verstaan), en daar spraken we over de volgende jaarvergadering (28 september aanstaande, over ondragelijk lijden en de rol van de arts daarin, noteer alvast in je agenda).
Mijn innerlijke gebeurtenissen zijn een ander verhaal. Ik was kwaad, en word het opnieuw nu ik dit stukje aan het schrijven ben. We zijn er net aan gewend geraakt dat je in openbare ruimtes niet mag roken vanwege de overlast die je zodoende al stinkend bezorgt aan je medegebruikers van die openbare ruimte, en nu wordt het normaal gevonden dat een openbare ruimte door dit soort akoestische terreur een no go area wordt.
Gelukkig leer je als dokter om te gaan met boosheid. De psychologie heeft daar probate doe-het-zelf-therapieën voor. Eén daarvan is de innerlijke fantasie. Verwerk je boosheid in een gefingeerd verhaal, en je zult … – nou ja, misschien niet meteen van je boosheid genezen zijn, maar er wel zonder angst voor allerlei vreselijke psychosomatische complicaties mee verder kunnen leven.
Van de Jaarbeurs naar de stationsrestauratie wandelend bedacht ik voor dat doel een verhaal. Het is zwart-grimmige science fiction, een beetje in de trant van George Orwell´s 1984. In de tijd dat het speelt is de wereld verdeeld in twee kampen:´wij-land´ (de goeden) en ´zij-land´ (de slechteriken). De kampen verkeren – allicht – in een voortdurende oorlogstoestand; er vinden voortdurend grotere en kleinere terreur-aanslagen plaats.
En dan gebeurt op een dag in ´wij-land´ iets onverwachts. Zo maar out of the blue staan in ´wij-land´ opeens op verschillende plaatsen bands te spelen. De ´wij-landers´ zijn natuurlijk erg verbaasd, maar al gauw voelen ze zich aangetrokken door de muziek. Als vanzelf gaan ze dansen op de maat van de muziek. De spelers worden daar steeds enthousiaster van, en gaan steeds opwindender spelen. Er komen ook, nog steeds zomaar out of the blue, steeds meer nieuwe bands, en het leven in ´wij-land´ wordt letterlijk één groot dansfeest. De staatssecretaris van cultuur van ´wij-land´ ziet dat er een groot maatschappelijk draagvlak is voor deze nieuwe cultuur-manifestatie, heeft er onmiddellijk subsidie voor toegekend, en doet verder alles wat hij kan om dit te bevorderen.
Foto: Winish Chedi
Maar dan, aanvankelijk zonder dat iemand het merkt, gebeurt geleidelijk nog iets anders. De muziek wordt zó hard en indringend dat hij niet alleen door de oren binnendringt. De lucht in de omgeving van de bands komt zó hevig in trilling dat de kleren van de dansers gaan rafelen, gaan loszitten, uit elkaar vallen en ten slotte in losse vezels op de grond vallen. De band-leden zelf lijken immuun voor deze onverwachte werking van hun eigen muziek; ze blijven gewoon in hun kleren en gaan door met spelen.
De ´wij-landers´ reageren verschillend. Sommigen vinden het een beetje gênant en aarzelen, maar anderen vinden het alleen maar nog leuker. Ze dansen naakt met nog groter enthousiasme door, en sleuren de aarzelaars letterlijk en figuurlijk mee in hun steeds opzwepender wordende dans. Maar na een tijdje gebeurt nog iets anders. Het begint er mee dat zich vreemde streeppatronen gaan aftekenen op de huid van de dansers – een beetje zoals je vaak in het zand aan het strand kunt zien als effect van water en wind. De dansers zelf merken het niet of nauwelijks op, en dansen vrolijk door. Dan gaat zelfs de huid loslaten van de onderliggende weefsels, maar ook dat lijkt hen nauwelijks te deren (achteraf, als alles voorbij is, zal blijken dat door de muziek intussen ook hun grote hersenen tot prut waren getrild. Hun hele benul is dus naar de gallemiezen). Het blijft niet bij de huid – spieren, pezen, weke delen, alle weefsels en organen raken in trilling, alle samenhang gaat verloren, de ene danser na de andere valt om. Ook dan stopt de vertrilling niet. De weefsels en organen desintegreren, de afzonderlijke cellen vallen uiteen in vormeloze blubber, zelfs de botten verpulveren.
Als bijna alle ´wij-landers´ op deze manier zijn vergaan tot iets dat zelfs niet meer benoembaar is, komen de ´zij-landers´. De muziek blijkt een nieuw, geheim oorlogswapen te zijn geweest in hun strijd tegen de ´wij-landers´. De staatssecretaris van cultuur van ´wij-land´ blijkt een spion van ´zij-land´ te zijn geweest die geïnfiltreerd was in ´wij-land´. Zij hebben de oorlog gewonnen; mijn zwarte fantasie is uit.
Onlangs las ik ergens dat otologisch (oorheelkundig) is aangetoond dat de generatie mensen onder de dertig thans beduidend slechter hoort dan een kwart eeuw geleden. Ik kan niet reconstrueren waar ik dat gelezen heb, dus volgens mijn eigen didactische maatstaven (´je mag alleen in een discussie inbrengen wat je ergens gelezen hebt als je kunt specificeren waar je het gelezen hebt´) is mijn argument niet geldig, maar dat kan me nu even niet schelen. Als het met deze endemisch wordende lawaai-overlast doorgaat zoals het nu gaat, zal het gehoorzintuig bij de mens domweg afsterven
recent commentaar