Enkele weken na nadat ik geschreven had over het gedicht over Ben Ali Libi, de goochelaar, kreeg ik meerdere opmerkingen over deze column. Er waren positieve en negatieve reacties. De positieve maken je blij, maar je hebt natuurlijk het meeste aan negatieve kritiek, want dan kom je erachter wat je duidelijker had moe ten formuleren. Voor mij was het indrukwekkende van het gedicht dat die 6 miljoen joden ineens een gezicht kregen. Het werden voor mij ineens echte mensen van vlees en bloed zoals Ben Ali Libi. Ik zag hem scherp voor mij, alsof ik hem echt heb gekend, die huisvader, die goochelde om brood op de plank te krijgen voor zijn gezin.
Een opmerking was bijvoorbeeld dat men niet geloofde dat Joost Prinsen echt volschoot tijdens het voorlezen van het gedicht . ‘Joh, die Joost is een acteur en die kan dat heel theatraal voor lezen’. Ik dacht erover na en kwam tot de conclusie dat ik die opmerking niet kan weerleggen. Het zou inderdaad kunnen zijn dat Joost Prinsen gewoon acteerde. Maar door die opmerking kwam ik er ook achter dat ik gewoon WIL geloven dat Joost oprecht vol schoot, dat hij zó gegrepen was door het gedicht, dat ook voor hem Ben Ali Libi niet meer zomaar iemand was, maar iemand met een gezicht. Misschien dacht hij bij het voorlezen wel aan zijn eigen familie. Dat WIL ik geloven. Heel bijzonder, dat geloof. Terwijl ik mij, normaal gesproken, alleen aan de feiten wens te houden. Zou dat misschien bij iedereen zo zijn: dat we geloven wat we WILLEN geloven, zelfs zonder er enig bewijs voor te hebben?
recent commentaar