Daniel Dennett (* 1942) is een Amerikaanse filosoof annex neurowetenschapper die in de laatste jaren van de vorige eeuw wereldberoemd is geworden door populaire boeken over zijn vakgebied. Ook is hij actief belijdend atheïst. Vorige maand mocht hij een eredoctoraat in ontvangst nemen aan de vroeger ‘Katholieke’ Universiteit Nijmegen (* 1923), sinds 2004 vernoemd naar de middeleeuwse Utrechtse bisschop Radboud. Dagblad Trouw had er een mooi verhaal over; de informatie over het werk van Dennett die ik hier gebruik, heb ik daarvandaan.

‘In zijn laatste boek, “Van bacterie tot Bach en terug”, komt zijn hele oeuvre samen’, kopieer ik uit Trouw. ‘Hij schrijft aanstekelijk dat er (bijna) niets mysterieus is aan het ontstaan van het leven, de menselijke geest en de “Matthäus Passion” uit een zee vol microscopisch kleine, eencellige wezentjes. Volgens hemzelf heeft hij de code van de samenhang tussen lichaam en geest al decennia geleden gekraakt,’

Dat klinkt revolutionair. Nadere kennisneming van wat hij daarmee bedoelt, roept reserves op.

‘Volgens Dennett is er naast de darwinistische evolutie van genen ook een culturele evolutie van memen. Dat zijn woorden, begrippen of culturele verschijnselen die zich volgens de wetten van Darwin gedragen en die onze geest voortdurend beïnvloeden en veranderen.

Een meme, zoals een idee, kan zich reproduceren [en dat komt] niet per se doordat-ie goed is, maar gewoon doordat het een besmettelijk idee is … dat zich gedraagt als een virus. … Dat kan voordelig uitpakken, maar ook nadelig. Denk aan een verbetering van pijl en boog, die zorgt voor effectievere jacht. Die technische verbetering wordt cultureel doorgegeven en komt de populatie ten goede. Maar bij een cultureel “virus”, een onjuist idee dat toch krachtig is, profiteert er niemand. Alleen het virus zelf … en dat is … het geval bij religie … : een erg besmettelijk virus, en misschien niet zo gezond. Toen ik aan m’n boek over religie werkte, vroegen vrienden me vaak waar religie goed voor is – elke samenleving kent immers wel een vorm van religie. Ik antwoordde: elke samenleving heeft ook de griep gekend. Maar waar is de griep goed voor? Alleen voor zichzelf. De griep brengt ons niets goeds, het is een parasiet die onze lijven infecteert. En zo zijn er ook parasieten die je brein infecteren.’

Tot zover Dennett in Trouw. Naar verluidt waren in Nijmegen enkele mensen ietwat ontstemd dat een zó overtuigde prediker van het heidendom hier een eredoctoraat kreeg; ik begrijp wat ze bedoelen. Maar als men mij vooraf over dit doctoraat een oordeel had gevraagd, zou ik op heel andere gronden negatief geadviseerd hebben. Gewoon wetenschappelijk-filosofisch is het namelijk een verhaal van niks.

Zo is bijvoorbeeld dat zogenaamde begrip ‘meme’ veel ouder dan Dennett meent. De Duitse psycholoog Richard Semon schreef begin vorige eeuw al meerdere boeken over wat hij met een beter woord ‘mnemen’ [verwant met het Griekse woord ‘anamnesis’ voor herinnering] noemde: ‘mentale engrammen’ (blijvende herinneringen, indrukken) die op biologische macroschaal ONGEVEER zo werken als herinneringen bij de individuele mens. Verder maakt de vergelijking met virussen de zaak alleen maar erger onbegrijpelijk. Griep en andere virus-ziekten zijn een onversneden biologisch proces, waarin biochemische wetmatigheden met grote zekerheid en precisie werken. Mnemen werken in wisselwerking met de vrije, ook door religieuze motieven geïnspireerde mens, en daar heerst veel minder zekerheid en precisie. Virussen zijn ‘hardware’. Mnemen zijn ‘software’.

Schildering van Radboud in de Broederkerk in Zwolle.

De Trouw-interviewer heeft wel een paar vragen, bijvoorbeeld: ‘U bent een man met een missie – tegen mysteries, tegen God. In welk opzicht is uw missie geslaagd?’

Dennett is daar heel positief over: ‘Eén van mijn missies was om de filosofie, of op zijn minst een deel ervan, te herenigen met de wetenschap – zoals het was in de 17de en 18de eeuw. Dit is gelukt, en ik ben heel blij over de vooruitgang op dat gebied. We krijgen nu een hele generatie interdisciplinaire filosofen die op de hoogte zijn van de laatste natuurwetenschappelijke inzichten en die dus volwaardige gesprekspartners zullen zijn in het onderzoek naar de vraag hoe het brein de geest produceert.’

Hier gaat me de geest met medeneming van zijn brein op oneindig. Het Duits kent de uitdrukking ‘Höllengelächter’: het triomfalistisch weerklinkende lachen van de duivels en andere inwoners van de hel. Ik hóór in mijn verbeelding hoe ze deze quatsch aan elkaar voorlezen en juichen over zóveel onzin die aan de voormalige katholieke universiteit zó hoog gewaardeerd werd.

Hugo Verbrugh


Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)

Dit veld is vereist.
Lees hier de privacyverklaring Hiermee geeft u toestemming om wekelijks een nieuwsbrief te ontvangen.