In 1942 publiceerde de Franse filosoof, journalist, schrijver van romans en toneelstukken Albert Camus (1913-1960) het essay ‘De mythe van Sisyphus’. De held van het verhaal heeft vele malen gezondigd tegen de goden en is voor straf gedoemd om tot in alle eeuwigheid in de onderwereld een rond stuk rots een helling op te duwen. Als het ding bijna boven is, rolt het naar beneden en moet Sisyphus opnieuw beginnen. Camus gebruikt het als beeld voor de mens die alsmaar vragen stelt aan de natuur. Maar die geeft antwoord, zodat de mens alsmaar geconfronteerd wordt met het absurde.
Het essay is mij om drie redenen dierbaar. De eerste reden is de openingszin. Ik citeer: Zelfmoord is het enige echt serieuze filosofische probleem. Dat voel ik ook zo. In zelfmoord knallen de drie grootste thema’s uit de Europese filosofie op elkaar: (1) de vraag of hierna nog ‘iets’ komt, zo ja ‘wat’ en alsdan of de manier waarop ik heb geleefd en mijn leven geëindigd heb, enige relevantie heeft inzake dit ‘iets’, (2) de dimensie van het hier en nu geconcretiseerd in de vragen ‘wat kan ik weten, hoe moet ik handelen?’ en (3) de vrije wil.
De tweede reden is dat ik het absurde van Camus niet alleen meevoel en begrijp, maar ook een oplossing ervoor heb. De vraag die Camus onder woorden brengt, is verkeerd gesteld. Hij moet omgedraaid worden. Niet de mens stelt vragen aan de natuur, maar de natuur stelt vragen aan ons, en een van de taken van de filosofie is ons te leren haar antwoorden te geven waar ze iets aan heeft.
Theoretisch-filososofisch is dat de benadering in de geest van “mij spreekt de blomme een tale”. In een vorige column heb ik daarover geschreven (4 juni): desteronline.nl/mij-spreken-de-kabouters-een-tale. Een voorbeeld van hoe het praktisch en onmiddellijk nuttig kan, staat in het stukje tekst onder de titel ‘Leren VOELEN wat goed vlees is’ elders in dit nummer van De Ster.
De derde reden voor mijn waardering is, dat Camus mij inspireert om zelf een essay te gaan schrijven over een verwant onderwerp: het banale (= zó gewoon dat het vervelend is, platvloers, onbeduidend, smakeloos).
De titel van mijn essay in wording staat boven dit stukje. Procrustes (‘de uitrekker’) is de bijnaam van een herbergier in de klassieke oudheid die voorbijkomende reizigers uitnodigde om bij hem te overnachten. Als ze op zijn uitnodiging ingingen, en zich te ruste hadden begeven, kwam Procrustes kijken of zijn gast in het bed paste. Meestal was dat niet zo. Was een gast te kort, dan rekte hij zijn ledematen met geweld uit, was hij te lang, dan hakte de gastheer er een stuk van af. Meestal eindigde deze behandeling met de dood, zodat Procrustes de bezittingen van de reiziger kon roven.
Wat ik met mijn essay en met mijn stukje in De Ster wil, past naadloos in de opzet van de Eureka-week. Die stelt de nieuwe eerstejaars in het vooruitzicht dat hun studie avontuurlijk [AvontEURlijk!] zal worden. Helaas is het tegendeel het geval. Het universitaire onderwijs in Nederland dreigt banaal te worden. Een van de oorzaken heb ik zelf zien komen, intussen bijna een halve eeuw geleden: de meerkeuzevragen. Nu zijn ze niet meer weg te denken; toen ze geïntroduceerd werden, was bijna iedereen, en zeker ‘de oude garde’, gescandaliseerd.
En nu begrijp ik waarom. Niet alleen leerstof voor examens, ALLE wetenschap en kennis wordt gealgoritmiseerd. ’t Is helemaal net zo als, om eens een ander woord te gebruiken, de verkwantificering van ziekte die ik 23 juli hier besprak desteronline.nl/de-algoritmisering-van-ziekte. Iets waar een student mee komt en dat niet in het geijkte stramien past, krijgt tegenwoordig automatisch de Procrustes-behandeling. Voor avonturen moet je elders zijn.
Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)
Trackbacks/Pingbacks