Aanstaande zaterdag opent de Kunsthal een overzicht van het veelomvattende oeuvre van Rudolf Steiner (1861-1925). Hij was ‘één van de meest invloedrijke en veelzijdige hervormers van de twintigste eeuw’, zoals hun site specificeert. ‘Zijn gedachtegoed is nog springlevend. … De tentoonstelling … biedt een fascinerend inzicht in zijn leven, werk en wijdverbreide gedachtegoed’.

Dat klinkt veelbelovend. En inderdaad: de tijd is óverrijp voor een nieuwe waardering van Steiner. Zijn geestelijke nalatenschap, de zogenoemde ‘antroposofie’, is van unieke betekenis maar in het publieke debat totaal onbekend en navenant onbemind. Een algemeen inleidende korte tekst erover is er zelfs niet. In dit stukje ga ik in negen clustertjes twitterberichten een aanzet geven voor zo’n tekst.

(1) De kop boven dit stukje is een variant op het ‘schandaal van de filosofie’. Dat idee is in 1787 bedacht door Immanuel Kant. ‘Het is en blijft’, schreef hij, ‘een schandaal van de filosofie en van het algemene mensenverstand dat we over de vraag of buiten ons zelf eigenlijk wel iets bestaat, alleen kunnen geloven, en dat we aan wie daaraan twijfelt geen satisfactie kunnen geven’.

(2) Terugkijkend kunnen wij dit zogeheten ‘schandaal van de filosofie’ zien als een eerste symptoom van de totaal-vervreemding van de mens van zichzelf die in de 19e eeuw zou volgen. In die totaal-vervreemding komen drie rode draden samen: het lege rationalisme van de Verlichting, de zwoele gevoelsverheerlijking van de Romantiek, en de verabsolutering van de skepsis in het agnosticisme, de leer dat wij als armzalige sterfelijke wezens niets kunnen weten van het hierna en dat het hiernamaalsgeloof louter wishful thinking is.

(3) De Eerste Wereldoorlog bracht aan het licht wat in de voorafgaande eeuw onder de oppervlakte gespeeld had. Sindsdien is het schandaal van de filosofie alleen maar erger geworden. Maar niemand onderkent de feitelijke situatie inzake dit schandaal. Enerzijds is dit oordeel van Kant nog steeds geldig; in de filosofie krijg je over niets énige zekerheid. Anderzijds is intussen door het werk van Steiner de inhoud van die filosofie-waarje- dus-niks-aan-hebt feitelijk al lang achterhaald. Wij kunnen echt zeker weten, heeft Steiner langs drie wegen aangetoond.

(4) Inzake de ratio heeft Steiner aangetoond dat het kenvermogen allerminst een zaak van alleen het brein en zenuwstelsel is. Het lichaam als geheel doet mee, en zonder interactie met de omgeving kan van cognitie geen sprake zijn. Ook veranderen wij louter door onze cognitie daadwerkelijkheid de omgeving om ons heen. De essentiële betekenis van de taal voor dit alles heeft Steiner al een eeuw geleden bewezen.

(5) Inzake gevoelens heeft Steiner een nieuwe dimensie toegevoegd aan de fenomenen empathie en charisma. Interactie met een ander mens kan rechtstreeks tot inzicht leiden. In het eigentijdse jargon spreken we dan soms van telepathie of ‘grensoverschrijdende ervaringen’. Het komt altijd over als bijzonder. In het mensbeeld van Steiner zijn dit geheel normale ervaringen. Ze komen ook steeds vaker voor.

De naam van het geheim(6) Ook heeft Steiner aangetoond dat het agnosticisme louter bijgeloof is en en elke rationele grond mist. De notie van karma en reïncarnatie is in de logica van de antroposofie een naadloos theoretisch evident systeem van denken en redeneren.

(7) Wat in de drie punten hierboven staat wordt intussen enerzijds steeds meer door de academische wetenschap ontdekt. Anderzijds heeft niemand tot nu toe de ware impact onderkend van de revolutie die Steiner in de filosofie en wetenschap ontketend heeft. Die impact is van minstens dezelfde orde als die van Copernicus in het begin van de moderne tijd. Die miskenning is het schandaal van de antroposofie.

(8) Het bovenstaande is niet een verwijt aan de boze buitenwacht. Wij antroposofen – ik ben zelf een van hen – hebben dat zelf over ons en onze missie afgeroepen.

(9) Een uitvoeriger versie van het bovenstaande geeft het recent verschenen boekje ‘De naam van het geheim’, ISBN 978-90-76494-08-1.

Bij het plaatje: een van de belangrijkste thema’s in het werk van Rudolf Steiner is de vraag ‘Hoe verkrijg ik kennis van hogere werelden?’ Op die vraag kan men, zoals op alles in het algemeen en op de antroposofie in het bijzonder, vanuit verschillende gezichtspunten neerzien [of, zo men wil: ‘Naar die vraag kan men, zoals naar alles in het algemeen en naar de antroposofie in het bijzonder, vanuit verschillende gezichtspunten opzien’]. Deze tekening van Joris Zee geeft een impressie van dit fenomeen.

Hugo Verbrugh