Twee weken geleden schreef ik op deze plaats over de Twaalf Heilige Nachten. Ik nam daarin een tekst van 265 woorden over van dominee Alleke Wieringa. Die tekst had ik gevonden op een site van de Remonstranten. Ik citeer de aanhef en de afronding van die tekst: ‘Tussen Kerstnacht op 24 december en Driekoningen op 6 januari bevinden zich twaalf nachten. Deze nachten worden wel de Heilige Nachten genoemd. Van oudsher wordt deze tijd als een bijzondere tijd beleefd. … Men zegt dat iedere nacht te maken heeft met een maand in het komende jaar; m.a.w. aan de dromen wordt een zekere vooruitziende waarde toegekend.’ remonstranten.nl/blog/remonstranten/twaalf-heilige-nachten-dodenrijk.)
Nu vat ik een stukje van mijn eigen voorgeschiedenis met de Remonstranten samen. Die begint ongeveer 75 jaar geleden.

(illustratie) De eerst bladzijde van de Gutenberg-Bijbel (1454) – Wikipedia
Ooit was mijn vader in hevige verontwaardiging ontstoken toen een vaag familielid achteloos opmerkte dat ze geen idee had wat Pinksteren voor een feestdag was. “Dat nooit, hier!”, dacht mijn vader, en dus moest ik naar de catechisatie, het nevenschoolse godsdienstonderricht dat destijds voor veel ouders een vast onderdeel was van de opvoeding. Onze variant was aangenaam mensvriendelijk vrijzinnig: de Remonstrantse Broederschap. Ik ging met gemengde gevoelens. Ik had nooit iets en en heb nog steeds niks met kerk en geloof. Op het gymnasium kreeg ik ruim voldoende geestelijke voeding. Maar ik had een perfecte relatie met mijn vader. Daarom ging ik zonder veel protest. Een beetje nieuwsgierig was ik ook wel.
Al meteen bleek het eigenlijk best geschikt. Onze catecheet, dominee Nienhuys, was een verlicht mens. Ik leerde van alles dat ik mij vanzelf eigen maakte en waar ik nu nog dankbaar gebruik van maak. Hij drong ons niet een catechismus of iets van die strekking op, maar vertelde, wij mochten vragen, hij luisterde en ging in op wat wij inbrachten. Serieus was het ook. De notie dat de hemelvaart van Jezus “misschien wel het meest bizarre” zou zijn van de vele “ongeloofwaardigheden” in het Christelijk geloof, zoals sommige zgn. liberale dominees beweren, zou daar niet zijn opgekomen. Integendeel: ds. Nienhuys ging niet mee in de waan van de dag. Sommigen beweerden daarin dat er in de geschiedenis helemaal geen concreet mens Jezus geweest zou zijn, en dat de naar hem genoemde godsdienst min of meer vanzelf ontstaan zou zijn in een samenwerkingsverband van hele en halve vrienden. Dit zogeheten synkretisme was destijds populair, maar ds Nienhuys zag daar niets in en dàt leerde hij ons uitdrukkelijk. De geschiedenis heeft hem achteraf gelijk gegeven.
Een ander verhaal is de uitleg die ds. Nienhuys gaf van de zaligspreking in Matth. 5:3. “Zalig zijn de armen van geest”, zou daar staan. Daarmee zou bedoeld worden dat mensen met een beperking even goed zalig kunnen worden als intellectuele highbrows. Daar kon ik niks mee en dat leek me banale kitsch.. Als díe stelling onderdeel van de christelijke boodschap zou zijn, had ik daar niets te zoeken. De werkelijkheid bleek beter. Bij de boeken van mijn vader vond ik de Griekse tekst. Daar staat: Μακάριοι οἱ πτωχοὶ τῷ πνεύματι – makarioi hoi ptoochoi tooi pneumati: “Zalig zijn de bedelaars om geest”. Dat is iets anders. Een bedelaar is arm, maar daar gaat het hier niet om. Als je zalig wilt worden, kan dat alleen voor zover je hebt geleerd geduldig te wachten tot de geest je geschonken wordt. Om als een inhalige kapitalist “geest” naar je toe te willen harken, is disfunctioneel. Dat vind ik nog steeds een wijze aanbeveling. Ik probeerde de dominee uit te leggen wat ik gevonden had. Hij luisterde authentiek meelevend, maar zakelijk-inhoudelijk resoneerde het niet bij hem, en wij namen afscheid.
Later heb ik dezelfde reactie gevonden bij andere theologanten. “Je kunt het zo zien, maar je kan het even goed anders zien” – zo iets. “Weet je wat je doet?”, kwam toen bij me op. “Je bekijkt het maar”.
Later vond ik de juiste vertaling in de tekst van het Nieuwe Testament van Heinrich Ogilvie, de eerste geestelijke in Nederland van De Christengemeenschap, de ‘beweging tot religieuze vernieuwing’ die nauw verbonden is met de antroposofie.
‘Wie het vatten kan, die vatte het’, staat in Matth. 19:12; ook inzake dit ‘vatten’ lig ik dwars. In het Grieks staat ὁ δυνάμενος χωρεῖν χωρείτω. Het Griekse woord chorein dat hier gebruikt wordt betekent iets als omvatten; het verwijst naar (de) ruimte, met alle aspecten die tweeduizend jaar geleden aan dat begrip ‘ruimte’ eigen waren. Alleen wie het al daadwerkelijk in zich heeft, kan het ook ruimtelijk binnen de ‘omvatting van zijn lichamelijkheid’, in zijn persoonlijke binnenwereld gewaar worden, en het zodoende enigszins begrijpen. De Engelse vertaling zegt het beter: He that is able to receive it, let him receive it.
Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)
recent commentaar