‘Bestaan kabouters echt?’ Die vraag hoor je tegenwoordig nooit meer. Sterker nog: kun je iemand nog serieus nemen die die vraag wel in alle ernst aan de orde stelt?
Beide vragen werden onlangs voor mij actueel. Het gebeurde op een conferentie in het Goetheanum, het wereldcentrum van de antroposofische beweging in Dornach, bij Bazel. Samen met mijn levensgezellin bracht ik daar onlangs enkele zeldzaam leerzame dagen door. Het ging over aardmannetjes, waternymfen, feeën en aanverwante sprookjesachtige schepsels. In het Duits heten ze Elementarwesen. In het Nederlands is de naam ‘elementenwezens’ gangbaar.
Mijn beide vragen kwamen in die conferentie niet ter sprake. In het Goetheanum worden ze behoedzaam bevestigend beantwoord. Mij zette, als de brave modale polderiaanse tijdgenoot die ik ben, dat quasi vanzelfsprekend bevestigende antwoord aan het denken.
Nu, een week of wat later, worden de eerste resultaten van dat denken verwoordbaar. Het eerste resultaat is een nieuwe herinnering aan iets dat ik al tientallen jaren geleden ooit las in een zeer

Op het plaatje zit Repel steeltje, hoofdpersoon van het gelijknamige sprookje van de gebroeders Grimm, goud te spinnen voor de arme molenaarsdochter die op die manier koningin zal worden. Ze heeft hem haar eerste kind als beloning beloofd, maar als het zover is maakt ze op slinkse wijze haar belofte ongedaan. Het verhaal is een diepzinnige uitbeelding van de dilemma’s waarvoor mensen komen te staan wanneer ze in relaties met anderen toezeggingen doen zonder daarvan de draagwijdte te zien. Die dilemma’s zelf zijn net zo min zichtbaar als het elementenwezen Repelsteeltje, maar intussen …
reëel boek: de autobiografie van de Italiaanse kunstenaar Benvenuto Cellini (1500- 1571). ‘Toen ik een jaar of vijf was’, schrijft hij, ‘zat ik eens met mijn vader bij een haardvuur. Opeens trok mijn vader mij naar zich toe, wees naar het vuur liet mij een salamander zien die tussen de brandende houtblokken op en neer danste, en gaf me een draai om mijn oren. Toen ik hem huilend vroeg waarom hij me geslagen had, antwoordde hij in opperbeste stemming: “Lieve jongen, ik sla je niet omdat je iets verkeerds gedaan zou hebben, maar alleen om te maken dat je je levenslang zult herinneren dat je met eigen ogen een vuursalamander hebt gezien”. Daarna kuste hij me en gaf me wat geldstukken opdat ik het echt niet vergeten zou.’
De tijden veranderen, en wij veranderen met hen. Vroeger zagen mensen nog elementenwezens. Met de moderniteit, vanaf de tijd van Cellini, verdween, vervluchtigde, ‘verdampte’ dat vermogen. Vader Cellini realiseerde zich dat en wilde zijn zoon effectief bewust maken van wat hij, als een van de laatste mensen van zijn tijd, gezien had.
Tegenwoordig bestaan elementenwezens alleen echt in de verbeelding van kunstenaars. Een prachtig voorbeeld van zo’n kunstenaar is Marten Toonder. Voor de eigentijdse modaalsceptische wetenschapsmens is het allemaal loze luchtfietserij, op z’n best amusante fantasie. Maar intussen …
Maar intussen bedenk ik dat er wel meer is dat wij niet kunnen zien en dat toch bestaat. Ter toelichting beveel ik u aan om naar de site van De Ster te gaan, daar enkele aanvullende notities te lezen, en dan te bedenken dat wij moderne stervelingen websites, internet, cyberspace and all that ook niet kunnen zien, net zo min als we kabouters of undinen (watergeesten) of vuursalamanders kunnen zien. Maar dat is geen argument om hun bestaan te ontkennen, toch? Overigens menen sommige antroposofen dat we, als we goed ons best doen, die elementenwezens opnieuw kunnen leren waarnemen. Maar dat is voor een volgend stukje.
Bij de laatste zin: Overigens menen sommige antroposofen dat we, als we goed ons best doen, die elementenwezens opnieuw kunnen leren waarnemen. Maar dat is voor een volgend stukje, zou ik het volgende willen opmerken. Dat menen niet sommige antroposofen maar dat menen alle antroposofen. Als antroposofen dat niet zouden menen, zijn ze geen antroposofen. Alleen is deze waarneming voor het overgrote deel van de hedendaagse mensheid nog niet weggelegd, omdat daarvoor toch wel een bijzondere aanleg en ook zeer grote inspanningen vereist zijn. Dat hoef ik u natuurlijk niet te vertellen, heer Verbrugh, dat weet u veel beter dan ik, maar ik krijg een beetje de indruk dat u zich er een beetje voor schaamt en bang bent belachelijk gevonden te worden en daarom zegt u maar ‘sommige antroposofen.’
Ik wou hier ook graag een tekst van Steiner toevoegen, die volgens mij wel bij deze tekst past en waaruit ook hoop ik wel duidelijk kan worden dat wij antroposofen ons niet hoeven te schamen.
https://ridzerdvandijk.wordpress.com/2013/11/22/wat-de-antroposofie-leert-zijn-verzonnen-voorstellingen-want-in-onze-wetenschap-zijn-zulke-dingen-er-eenvoudig-niet/
Kabouters bestaan wel degelijk,ik zie ze altijd in het bos.Ik ben nu 73 jaar maar ik heb ze altijd gezien.(of in mijn verbeelding)
Het gezwets over kabouters is m.i. niet meer dan een soort test om te bepalen in hoeverre een toehoorder is op te tuigen met je reinste nonsens. Als autoriteit kan je zo volgzame van niet volgzame mensen onderscheiden.
Ik heb ooit een antroposoof voor een hele zaal studenten een heel verhaal over kabouters horen verkondigen terwijl hij aandachtig rondkeek wie hem volgde in zijn fantasterijen en wie niet. Toen ik hem enkele vragen wilde stellen, ontweek hij me en ook later ging hij met een boog om me heen.
Op mij maakte deze heer de indruk dat hij zijn eigen gebral niet geloofde en waarschijnlijk – ik weet het dus niet, want hij wilde niet met me praten – had hij door dat ik dat zag.
Ik heb er overigens geen enkel probleem mee dat mensen die wat simpel van geest zijn in wat dan ook geloven, maar de pretentie om hun geloof als waarheid te verkondigen, vind ik een brug te ver.