Komkommertijd (6, slot): ‘Over “voltooid leven” is het lastig uitruilen’. Ik doe een Grote Ontdekking
Het einde van de zogenaamde komkommertijd is nakend en dat is maar goed ook. De kabinetsformatie-problemen waar de stukjes van de afgelopen zes weken over gingen, zijn nog lang niet opgelost. Integendeel, alles wijst erop dat ze één-voor-één keurig verpakt in cadeaupapier in een van de vier kleuren van VVD, CDA, D66 resp. CU zorgvuldig meegenomen zullen worden in het eindresultaat van de onderhandelingen. Dan zal gebeurd zijn wat ik in mijn vorige stukjes voorspelde: het enige werkelijk serieuze filosofische probleem dat wij kennen, zal een effectieve politieke nep-oplossing hebben gekregen en uit het publieke debat, en daarna uit de filosofie verdwijnen. Trump, de profeet van de ‘alternatieve feiten’ en pseudo-wetenschap, maakt ook in Den Haag school.
Maar zo’n nep-oplossing op korte termijn die zich nu aftekent, moet ik mij persoonlijk aantrekken, want de statistisch bezien uiterste houdbaarheidsdatum van mijn lijf in mijn huidige incarnatie komt in zicht, en op die leeftijd moet men aan zijn toekomst gaan denken. Oftewel – ik meld dit niet zonder enige aarzeling – inzake voltooid leven begin ik me soms bijna een beetje ervaringsdeskundige te voelen. Plat gezegd: af en toe herken ik wel iets van mijzelf in het soort mens die de ‘Voltooid leven’-activisten op hun mentale netvlies hebben. De non-weerklank die mijn filosofische analyse van het debat in mijn vorige stukjes gevonden heeft bij Mark, Sybrand, Alexander, Gert-Jan en Gerrit en zelfs bij Jesse, inspireert mij tot de zwartgallige retorische vraag ‘Is niet ook mijn leven intussen voltooid? Waarvoor zou ik het nog verder blijven proberen?’.
Maar eigenlijk is het, bedenk ik terwijl ik dit opschrijf, misschien gewoon een normaal kenmerk van mensen van onze leeftijd dat zulke gevoelens soms in ons opkomen.
Maar – alweer een ‘maar’; ik blijf maar (!) tobben – wat zeg ik nou? Het is een normaal kenmerk van mensen van onze leeftijd dat ‘een “voltooid leven”-gevoel’ soms in ons opkomt? Dat is natuurlijk een riskante opmerking. Het is niet ondenkbaar dat ‘Voltooid leven’ op afzienbare termijn standaard-routine wordt in de bejaardenzorg. Dat kan dan tot gevolg krijgen dat artsen en andere gezondheidszorgwerkers in de protocollen waarmee ze moeten werken geïnstrueerd zullen worden om uit zichzelf aan de cliënt voor te leggen of hij er misschien niet goed aan doet te gaan overwegen of misschien ook zijn/haar leven voor het predicaat ‘voltooid’ in aanmerking komt. ‘Duwtje in de rug’, heet dat in andere situaties [seks en zo] waarin een dergelijke werkwijze al gebruikelijk is.
Wie dat een belachelijk idee vindt, verwijs ik naar twee inspiratiebronnen, allebei uit onverdachte hoek. De ene is de CU. ‘Het uitgangspunt van de ChristenUnie in deze formatie is: we accepteren de bestaande medisch-ethische praktijk, in het besef dat deze door het overgrote deel van de bevolking wordt gesteund’, citeer ik uit het grote overzichtsartikel van NRC-redacteur Thijs Niemantsverdriet | in de krant van afgelopen zaterdag pagina 8 – 9 onder de titel die ik vandaag in de kop boven mijn eigen stukje van hem heb overgenomen. We weten allemaal wat hij bedoelt. Therapeutisch bedoelde zogenaamde zwangerschapsonderbreking [het moet zijn: zwangerschapsAFbreking was een halve eeuw geleden een ongehoord schandaal; nu wordt deze vorm van abortus provocatus ‘door het overgrote deel van de bevolking gesteund’, en de CU onderhandelt nu wellicht in dit verband alleen nog over haar wens om de wettelijke abortusgrens met zes weken te verlagen en aanverwant ‘klein wisselgeld’. Wie weet gaat Gert-Jan Segers straks akkoord met ‘zelfmoord samen met een ander’ onder voorwaarde van een verplichte bedenktijd van, pak weg, zes weken of verzin maar wat. Dat de ingreep onder de deknaam ‘voltooid leven’ moord is en moord blijft, laten we om de lieve vrede verder buiten beschouwing. ‘Stervenshulp’ is een veel beter woord.
De andere inspiratiebron voor mijn vermeend belachelijke idee is de column van Rosanne Hertzberger in dezelfde krant van afgelopen zaterdag onder de veelzeggende titel ‘Evolutie als excuus’. Ook deze auteur kwam in eerdere stukjes gedurende mijn komkommertijd al ter sprake. Op 11 juli desteronline.nl/komkommertijd-1-onvoltooid-leven-sjibbolet-kabinetsformatie gaf ik lucht aan mijn verbijstering over de vanzelfsprekende zelfverzekerdheid waarmee ze stelde dat ‘voltooid leven’ iets is dat voor ieder mens met normaal verstand vanzelf spreekt. Maar ik probeer steeds ook weer iets goed zoeken en wat Rosanne 12 augustus deed, was wel goed, althans minder slecht dan dat eerder genoemde stuk. ‘Evolutionair denken over geneeskunde levert boeiend leesvoer op’, citeer ik, ‘maar de beperkingen worden ook direct duidelijk. … Een … beperking is dat de evolutietheorie weinig te bieden heeft voor minder “fitte” mensen, ouderen bijvoorbeeld. Aangezien evolutie vooral op nageslacht gericht is, zijn onze levens evolutionair gezien eigenlijk voltooid zodra het nestje leeg is en het kroost gevlogen. Ouderen vormen voorplantingstechnisch gezien vooral een blok aan het been. Evolutionair gezien heeft gezond oud worden geen enkele zin, misschien zijn we er daarom zo slecht in.’ Tot zover het citaat.
Zakelijk-duidelijker kun je het haast niet zeggen. Evolutie dient alleen om de diersoort genaamd ‘mens’ in stand te houden en zodra de jongen op eigen benen kunnen staan en de voortplantingsfunctie bij de ouderen uitgedoofd is, kunnen we beter de evolutie ‘een duwtje in de rug geven’ en die overtollig geworden oudjes naar een – een nieuw begrip dat ik hier introduceer – ‘Kliniek voor aanwezigheidsonderbreking’ verwijzen. [Overigens moet ik hier opbiechten dat ik Rosanne hierboven onbehoorlijk selectief geselecteerd heb. Dit keer heeft ze best een goed punt, maar daar ging het mij nu even niet om; haar probleem is alleen dat ze evolutie gelijk stelt aan ‘evolutie volgens Darwin’. Dàt neem ik niet, en ik kàn het niet laten hier even te verwijzen naar mijn grote leermeester Rudolf Steiner (1861-1925). Die sprak in verband met de evolutie volgens Darwin van een Erkenntnisstrafe: een straf in de vorm van een totaal idioot bijgeloof inzake een absurde voorstelling van zaken. Erkenntnisstrafe is een onvertaalbaar, door Steiner zelf verzonnen en slechts één maal gebruikt begrip, dat zelfs in het Duits een raar woord is. Het vergt enige mentale acrobatiek om te vatten wat er mee bedoeld wordt. Ik omschrijf het aldus: de mensheid was ten tijde van Darwin, medio 19e eeuw, zó ver van de waarheid afgedwaald, had zó totaal alle zin voor de werkelijkheid verloren, was zó totaal van God los geraakt, dat die, voor straf, in deze absurde voorstelling van zaken volgens Darwin had moeten gaan geloven – zoiets.]
Maar – nu voor vandaag mijn laatste ‘maar’ – léérzaam was en is het allemaal wel. De evolutie heeft een doel, te weten toevoegen van een nieuwe eigenschap aan de schepping namelijk de vrijheid. En vrij kan alleen een zelfbewust individu zijn, dat het vermogen heeft om te spreken en om zo doende uiting te geven aan zijn zelfbewustzijn en daardoor die vrijheid te realiseren. Dat bedoel ik met mijn Grote Ontdekking van mijn stukje van vandaag. ‘Wie het vatten kan, die vatte het’, zou ik, Matth. 19:12 citerend, dit stukje willen besluiten – maar dat doe ik niet want ook inzake dit ‘vatten’ lig ik dwars. In het Grieks staat ὁ δυνάμενος χωρεῖν χωρείτω. Het Griekse woord chorein dat hier gebruikt wordt betekent iets als omvatten; het verwijst naar (de) ruimte, met alle aspecten die tweeduizend jaar geleden aan dat begrip eigen waren. Alleen wie het al daadwerkelijk in zich heeft, kan het ook ruimtelijk binnen de ‘omvatting van zijn eenheid naar lichamelijk, zel en geest’, in zijn persoonlijke binnenwereld gewaar worden, en zodoende enigszins begrijpen, maak ik ervan. De Engelse vertaling waarover ik beschik zegt het mijns inziens ook beter: He that is able to receive it, let him receive it.
Wie moed heeft om verder te lezen, die leze verder, zeg ik dus maar (! Allerlaatste “maar”).
De krijsende vlucht vogels, die model staan voor wat elke dag, ieder uur, iedere minuut binnenkomt aan nieuws, berichten commentaren; zie plaatje met bijschrift op dit stukje en die van de vorige weken, komen uit een klassiek Frans gedicht:
desteronline.nl/komkommertijd-1-onvoltooid-leven-sjibbolet-kabinetsformatie
desteronline.nl/komkommertijd-2-toekomst-heet-appie
desteronline.nl/komkommertijd-3-make-holland-great-again
desteronline.nl/komkommertijd-4-tijd-gaat-snel-gebruik-wel
desteronline.nl/komkommertijd-5 de kabinetsformatie, zogenaamd ‘medisch-ethische’ kwesties, SOLK en de buikpijn van Alexander Pechtold
Zie ook www.kainamedia.nl.
[Dans la splendeur triste d’une lune
Se levant blafarde et solennelle, une]
Nuit mélancolique et lourde d’été,
Pleine de silence et d’obscurité,
Berce sur l’azur qu’un vent doux effleure
L’arbre qui frissonne et l’oiseau qui pleure.
[In de glans van een maan
die blekig en plechtig opkomt, een]
Nacht, droefgeestig en zwaar van zomer,
Vol stilte en duisternis,
Wiegt op het azuur dat een zachte wind voorzichtig aanraakt,
De boom die huivert en de vogel die huilt.
Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)
[wysija_form id=”1″]
ZOJUIST VERSTUURD AAN FRACTIEMEDEWERKER VAN CHRISTENUNIE:
Geachte heer Roza,
Dank voor uw reactie; wat u schrijft, inspireert mij om nog enkele aanvullende gezichtspunten en overwegingen aan u voor te leggen. Om het overzichtelijk te houden orden ik ze puntsgewijs.
1. Ik begin met een zeer algemeen punt: de tijd veranderen en wij veranderen met hen. De toegenomen levensverwachting en de steeds effectiever wordende techniek om mensen in leven te houden, confronteren ons met fundamenteel nieuwe uitdagingen.
2. Het begrip ‘voltooid leven’ circuleert tegenwoordig in de politiek en in de media in de speciale betekenis van het vooral door D66 ‘gepromote’ programma van die naam.
Het kan echter ook in zeer algemene termen opgevat worden. Onder meer in sprookjes komt in een variant soms ter sprake. ‘De oude koning voelde zijn einde naderen … ‘ etc.
Klassiek is de variant in het sprookje van Assepoester: ‘Er was eens een rijk man. Zijn vrouw lag ziek; en toen zij haar einde voelde naderen, riep ze haar enig dochtertje bij zich en zei: “Lieve kind, blijf vroom en goed, dan zal de lieve God je altijd helpen en ik zal van de hemel op je neerzien en bij je zijn.” Daarop sloot zij haar ogen en stierf. …’
3. Mijn volgende punt is meer dan een gezichtspunt. Het is een overtuiging, eigenlijk een stelling waaraan ik al enige tijd werk. Tegelijk is het een eerste conclusie uit de punten 1 en 2.
Er doet zich in deze tijd een nieuw fenomeen voor. Veel, steeds meer mensen die voorbij de zgn. pensioengerechtigde leeftijd zijn, beginnen zich meer of minder bewust af te vragen wat zij verder nog met hun leven zouden moeten, kunnen, willen …’; ik heb dit laatste met opzet vaag geformuleerd omdat ieder mens een eigen invulling aan dit gevoel geeft, die bovendien binnen één mens in de loop van de tijd sterk kan variëren.
4. Nu volgt een ’tussenoverweging’; ik onderbreek de ‘zakelijke’ overwegingen voor een paar persoonlijke opmerkingen.
Zolang ik me kan herinneren voel ik, om het zo te zeggen, ‘mij thuis in de wereld’. Dat komt door twee oriëntatiepunten, een algemeen en een specifiek.
Het algemene is wat ik ooit, lang geleden, bedacht heb toen ik me de vraag stelde ‘wat is het doel van het leven?’ Dat is allereerst uitvinden wàt dat doel is.
Mijn specifieke oriëntatiepunt is dat in elk geval mijn doel datgene is wat Plato in de filosofie heeft ingevoerd als ‘anamnesis’ oftewel de kunst om je te herinneren wat je voor dit leven meegenomen en/of meegekregen hebt om te doen. Maar dat voornemen vergeten wij als wij vlak voor onze geboorte door de Lethe, de ‘rivier der vergetelheid’ gaan; levenskunst is onafgebroken werk aan het terugvinden van die oer-herinnering.
Een eerste invulling voor mijn eigen anamnesis werd mij in mijn jonge jaren gegeven in de remonstrantse cathechisatie. Daar leerde ik van ds. Nienhuys dat in de zaligspreking in Matth. 5:3. ‘Zalig zijn de armen van geest’ bedoeld zou zijn dat geestelijk minvermogenden even goed zalig kunnen worden als intellectuele highbrows. Daar kon ik niets mee. In de boekenkast van mijn vader vond ik toen de Griekse tekst en een professioneel woordenboek. In de Griekse tekst staat: Μακάριοι οἱ πτωχοὶ τῷ πνεύματι – makarioi hoi ptoochoi tooi pneumati: ‘zalig zijn de bedelaars om geest’. Dat is iets anders. Een bedelaar is arm, maar daar gaat het hier niet om. Als je zalig wilt worden, kan dat alleen voor zover je hebt geleerd geduldig wachten tot de geest je geschonken wordt. Om als een inhalige kapitalist ‘geest’ naar je toe te willen harken, is disfunctioneel. Dat vind ik nog steeds een wijze aanbeveling.
Mijn doel in mijn leven is nog steeds oude wijsheid te ‘vertalen’ in actuele begrippen en in bewoordingen die voor mijn tijdgenoten begrijpelijk zijn.
Ik moet nu een paar ’tussenstations’ overslaan en vat opnieuw ‘zakelijk’ kort samen:
5. In verband met ‘voltooid leven’ onderken ik een essentiële oude wijsheid in het fenomeen dat sinds eind vorige eeuw bekend staat als de ‘bijnadood ervaring’ oftewel de BDE, intussen ge-herformuleerd als ‘NDE’: Near Death Experience, Nabij de Dood Ervaring.
6. In Nederland is de BDE vooral bekend geworden door het werk van de Arnhemse cardioloog Pim van Lommel [‘Eindeloos bewustzijn’]. Daarover heerst echter een ernstig misverstand. De feiten zijn anders dan hij en alle onderzoekers die zijn werkwijze volgen, menen. In het volgende punt vat ik de zaken samen zoals ik meen dat ze zijn.
7. Zo ver de geschiedenis van de mens teruggaat zijn er berichten over mensen die iets verteld hebben over wat de beleefd hadden toen ze meenden dat ze dood waren maar zich daarin vergist bleken te hebben.
Als ‘erkend’ nieuw fenomeen zoals het nu wereldwijd bekend is, begon het in 1892. Toen verscheen de baanbrekende eerste publicatie hierover in de moderne literatuur. Die komt van de Zwitserse geoloog en alpinist Albert Heim von Sankt Gallen. Hij schreef hij erover in het Jaarboek van de Schweizer Alpenclub. Hij had alle berichten verzameld die hij kon vinden van mensen die, net als hij zelf een tijdje eerder, totaal onverwacht opeens gemeend hadden dat ze dood zouden gaan. Het waren verhalen van alpine klimmers die opeens gevallen waren. Zij beschreven wat ze beleefd hadden als een ervaring zonder angst, waarbij ze opeens een volkomen nieuw, uitzonderlijk helder moment van denken hadden. Hun gedachtegang versnelde, en ze zagen hun hele leven aan zich voorbijschieten. De ervaring duurde slechts enkele seconden; direct aansluitend hadden ze een indringend besef iets uniek nieuws te hebben meegemaakt .
Sindsdien is de BijnaDoodErvaring een bekend thema in de Europese cultuur. Klassiek is de beschrijving van de neuroloog Moritz Benedikt (1835-1920). In zijn autobiografie (1906) schrijft hij hoe hij in een open zwembad in de Donau kopje onder ging: ‘Es war wohl kaum mehr als eine halbe Minute, dass ich das Bewusstsein hatte, jetzt ertrinke ich. Dabei machte ich die merkwürdige Selbstbeobachtung, dass in dieser kurzen Zeit sämtliche Erinnerungen meines Lebens vor mir in rasender Eile vorübergingen. Diese Beobachting ist in der Psychologie bekannt; selbst erlebt haben es wenige’.
Ook dichter bij en recenter beschrijven publicaties het fenomeen. Zelfs in het rijk gevarieerde leven van Heer Bommel komt een moment voor waarin hij dit levenspanorama meemaakt. Aan het einde van zijn avontuur met ‘De Pronen’, pseudo-personen zonder ruggegraat, gebeurt het. ‘”Straks staat het water tot onze lippen”, prevelde heer Ollie met zwakke stem. “Mijn hele leven passeert aan mijn geestesoog”‘.
8. Dat laatste was in 1973. In de voorafgaande jaren was veel veranderd. De geneeskunde was uitgebreid met de intensive care, steeds meer mensen die ernstig ziek of gewond waren, bleven leven. Sommigen van hen maakten daarbij iets mee dat enerzijds meer of minder lijkt op, maar anderzijds in enkele belangrijke opzichten verschilt van wat bijna een eeuw eerder in de eerste publicaties was gerapporteerd. De BDE zoals we die nu kennen werd een populair item in de publiciteit. Met name het boek van Raymond Moody uit 1977 maakt het thema populair – inclusief de skepsis erover (al in een kritisch artikel in de NRC Handelsblad van 12 februari 1977). Er kwamen steeds meer andere, veel minder pregnante en minder uitgesproken versies in omloop [‘licht aan het eind van de tunnel’, visioenen in de geest van Jeroen Bosch etc], en de discussie waaierde alle kanten uit. En weliswaar doet de discussie over dit alles zich nu veel minder prominent voor in de media, maar juist het ‘voltooid leven’ initiatief zoals dat nu speelt, maakt het noodzakelijk dat de discussie opnieuw in de aandacht komt.
9. Op grond van (1) wat ik intussen allemaal nog meer gelezen en gehoord heb, en met name (2) op grond van enkele live gesprekken met mensen die een authentieke [in de zin van het eerste bericht van Heim] bijna dood ervaring [dus met specifiek het door Heim aangeduide ‘persoonlijke postmortale levenspanorama’] gehad hebben [for the record: persoonlijk heb ik zelf nimmer iets van die strekking meegemaakt], en (3) op grond van uitvoerige gesprekken met een bevriende intensive care verpleegkundige die vele BDE-berichten uit de eerste hand heeft opgetekend, en, vooral, (4) in het perspectief van de recente vooruitgang in de cognitieve wetenschappen, waarin de sociaal-wetenschappelijke psychologie en de natuurwetenschappelijke neuroscience geïntegreerd zijn, ben ik tot een eerste voorlopige [niet ‘de’!] conclusie gekomen dat zich in deze tijd inzake deze authentieke NDE een nieuw fenomeen voordoet.
10. Ik omschrijf dit fenomeen aldus: een quasi-visuele beleving van een persoonlijk postmortaal levenspanorama-beleving zoals die door Heim, Benedikt en vele anderen is beschreven, (1) is een normaal, in principe bij ieder mens voorkomend, verschijnsel waarmee het sterfproces [dat van nature nagenoeg altijd, ook wanneer het volgens het ‘voltooid leven’-programma kunstmatig wordt beëindigd, minstens enige minuten, vaak uren of dagen of nog langer duurt] wordt afgesloten. Het is (2) in de afgelopen eeuw zo goed gedocumenteerd in berichten van mensen die een dergelijke beleving hebben meegemaakt, dat het gewettigd is om hypothetisch deze beleving op te vatten als een wetenschappelijk feit in de zin waarin dit begrip in de wetenschapsfilosofie gethematiseerd wordt, dat niets te maken heeft met geloof of politiek. Uit (1) en (2) vloeit voort dat het aanbeveling verdient dat deze overwegingen in het overleg over de kabinetsformatie worden meegenomen.
11. Als eerste conclusie voor het actuele politieke overleg uit stel ik op grond van de vorige punten dat de ‘Voltooid leven’- activisten moeten doen wat in onze maatschappij iedereen moet doen die een nieuw product op de markt brengt: ze moeten adequate informatie geven inzake hun ‘product’.
12. Een tweede, heel andere conclusie is dat het ‘”Voltooid leven”-gevoel’, de mix van vragen, twijfels, onzekerheden inzake ‘wat moet ik hier verder nog’ zoals in punt 3 aangeduid, niet alleen een speciaal thema is dat nu actueel is geworden, maar endemisch begint te worden. In punt 3 stond ook dit al aangeduid.
13. Een derde conclusie is dat de tijden ook in die zin veranderen, dat anticiperend flarden van het onder punt 7 genoemde ‘persoonlijk postmortaal levenspanorama’ zich soms al tijdens het leven kunnen voordoen, vooral naarmate men ouder wordt – en allicht dat veel mensen zich dan vooral bewust worden van wat ze niet goed gedaan hebben en wat ze verzuimd hebben in de ongeveer zestig à zeventig jaar die ze achter zich hebben, en dat velen dan, meer of minder bewust, komen tot een doodswens.
14. Als nieuw punt in dit betoog citeer ik uit een een interview dat ik in 1975 maakte met Willem Metz, medisch-filosoof en tijdens de hongerwinter 1944/45 huisarts in Rotterdam: “Het praktijk doen in de oorlog stelde zijn bijzondere eisen. De meeste indruk heeft het hongeroedeem op mij gemaakt. Als het hongeroedeem optrad, verloren de mensen hun hongergevoel, zij waren slap en moe, maar klaagden nauwelijks over iets anders dan hun oedemen. Zij zager er minder mager uit dan tevoren. En dan plotseling, zonder enige voorbode of strijd, zakten zij in elkaar en waren dood. In deze tijd wordt veel over euthanasie getheoretiseerd. Het gaat dan vrijwel uitsluitend om de actieve euthanasie door de arts. Ik vraag mij dan altijd· weer af waarom de patiënt die om euthanasie vraagt, niet zelf het initiatief neemt door op te houden met eten. Als dat een te zware taak voor hem is, kan zijn vraag om euthanasie dan wel ernstig worden genomen? Het niet-eten wordt de patiënt toch veelal vergemakkelijkt doordat hij er slecht aan toe is, pijn heeft en geen eetlust. Als ik ooit in die situatie kom, zal ik weigeren een ander met mijn dood te belasten, maar zelf het besluit tot hongeren nemen. Het biedt de gelegenheid op volwaardige wijze tijdig afscheid te nemen, want de lijder aan honger(oedeem) blijft tot het laatst toe helder. Het leven wordt de vrijwillig hongerende niet ontnomen, hij legt het leven af: en dat is menselijk sterven. Verwant hier mee is de ervaring dat de oorlogstijd het bewijs leverde dat een minimum aan materiële voorzieningen volstaat, misschien wel voorwaarde is, voor de bloei van het menselijk leven. Terugziende was het een tijd van vrezen en beven, maar daarnaast en daardoor, een tijd van vriendschap, verwachting en hoop.”
15. ‘Versterving’, zoals het in punt 14 beschreven verschijnsel ook wel wordt genoemd, is de afgelopen jaren onder meer door Boudewijn Chabot in de publiciteit gebracht. Nieuw is voor zover ik kan nagaan de stelling waarmee ik deze [toch erg lange; excuus] brief besluit: (1) ‘Anamnesis’ zoals samengevat in punt 4 is realiteit. (2) Deze ‘onbewuste herinnering’ aan wat ik in dit leven ‘echt’ wilde en wil, is een 100% individuele zaak [het thema ‘de eenzaamheid van de stervenden’ van Norbert Elias heeft hiermee te maken]. (3) Wanneer een naar lichaam, ziel en geest gezond mens [en alleen voor mensen die aldus gekwalificeerd kunnen worden, geldt ‘Voltooid leven’] meent dat het inderdaad ‘voltooid’ is, kan hij/zij zich wenden tot een nieuw type ‘hospice’ dat hiertoe opgericht wordt. Speciaal opgeleide professionals begeleiden de daar verblijvenden in hun laatste levensfase die dus op natuurlijke wijze eindigt. Dàt worde het programma voor ‘stervenshulp’ in de 21e eeuw.
16. Als laatste punt copieer ik enkele passages uit een artikel uit Trouw van 2 oktober 1996 van Riet Diemer over een opmerkelijke promotie die kort tevoren had plaats gevonden in Utrecht; het gaat over de variant van versterving die bekend staat als Endura.
‘Ze heeft zich wel wat op de hals gehaald met haar promotie op 80-jarige leeftijd, als oudste aan de Universiteit Utrecht, mevrouw Janine Pikaar (sinds een paar dagen 81) … Haar proefschrift ‘Endura – Jeûne ou suicide?’ is … in het Frans geschreven. … Het vasten om de dood te bespoedigen, ook wel versterven genoemd, is al eeuwen bekend, is haar conclusie. Dit fenomeen, dat bij een christelijke beweging uit de 12e tot de 14e eeuw in Zuid-Frankrijk, het Katharisme, bekend was als ‘endura’, werd volgens haar ten onrechte als zelfmoord beschouwd.
Doorgetrokken naar onze tijd is voedsel weigeren op hogere leeftijd, zoals vandaag de dag voorkomt, meestal geen kwestie van zelfmoord, maar eerder een instinctieve daad om waardig te sterven, meent ze. Waarom de Katharen? “Die Katharen zijn altijd mijn grote liefde geweest. Ik heb in Zuid-Frankrijk gewoond en ik heb er in mijn eentje met mijn hond rondgetrokken. Katharen waren in de 12e tot 14e eeuw echte christenen, die het oude geloof van het joodse christendom aanhingen. Ze waren zeer tolerant en ascetisch en leefden volgens de Bergrede. In die tijd was de katholieke kerk verworden tot een kerk van paters goedleven, lekker eten, veel drinken en verkwisting. De Katharen kwamen daartegen in opstand en zo ontstond er een nieuwe cultuur in de Languedoc. Ze hebben hun levens beëindigd op de brandstapels van de Inquisitie.”
Ze hangt zelf geen enkele religie aan, maar heeft wel belangstelling voor godsdiensten. “Als mensen dat kunnen uitdragen door hun leven is dat geweldig. De Katharen lieten zien dat ze echte christenen waren.” Een van de riten van de Katharen was de endura, versterving, waarbij werd aangeraden om wél te drinken, omdat onthouding van vocht onnodig lijden tot gevolg zou hebben.
“Ik heb het doorgetrokken naar onze tijd, waarin het onderwerp versterving regelmatig in de actualiteit is. Het is de vraag of men ‘endura’ kan vergelijken met het weigeren van voedsel door patiënten, meestal van de derde leeftijd, 60 tot 80 jaar en van de vierde leeftijd, 80 jaar en ouder, zoals voorkomt in zieken- en verpleeghuizen. Waarom weigeren oude en zieke mensen voedsel, waardoor het stervensproces veel korter wordt? Je moet oude zieke mensen natuurlijk niet vergelijken met jongere en gezonde hongerstakers, die het weken volhouden.” Uit gegevens over vier jaar van het Centraal bureau voor de statistiek blijkt dat sterven door ondervoeding bij bejaarden vaak voorkomt. In 1993 betrof het 24 mannen en 54 vrouwen boven de 80 jaar. Verhoudingsgewijs (op die leeftijd zijn er meer vrouwen dan mannen in leven) is dat ongeveer een gelijk aantal. Het onderzoek van dr. Pikaar betreft leeftijdgenoten, maar directe ervaring deed ze op met haar oude moeder. Toen die ging sterven, na al tien jaar dement te zijn geweest, merkte Pikaar dat voedselweigering een instinctieve daad was. “Ik ben geen propagandist, maar als oude zieke mensen niet willen eten, ben ik er niet voor het ze op te dringen, maar laat ze wel drinken.”
Tot slot de vraag of dr Janine Pikaar zelf tot voedselweigering over zou gaan. “Ik weet het niet. Ik kan een protocol bij me hebben en morgen onder een auto komen, waarna ze in het ziekenhuis aan je beginnen . . . De toekomst is verborgen onder de sluier van barmhartigheid.” Ze houdt zich ook nog niet echt bezig met haar eigen einde. Vooralsnog wil ze een nieuwe studie beginnen: filosofie. … “Dat studeren op latere leeftijd kan ik iedereen aanbevelen, maar je moet je niet opdringen. Ik ging stilletjes achter in de collegezaal zitten, maar de studenten kwamen vanzelf naar me toe met vragen. Ik zei eerst: nee jongens, ik zit hier ook maar om te leren. Maar als er werkstukken moesten worden gemaakt gebeurde dat op den duur bij mij thuis. Ik denk dat ik een beetje Moeder de Gans was.”’
Tot zover deze tweede brief inzake ‘voltooid leven’ en de kabinetsformatie; ik ben benieuwd naar uw reactie.
Met vriendelijke groeten,
Hugo Verbrugh