Na Zaragoza en twee dagen Madrid zijn wij nu aangeland in Toledo. Het klinkt waarschijnlijk heel blasé, maar die steden vielen mij een beetje tegen. Natuurlijk hebben we het er gezellig en natuurlijk zijn er een paar mooie kerken en stadhuizen en leuke pleinen (met weer die eeuwige ‘levende standbeelden’), maar ze kunnen mij niet echt boeien. Misschien komt het omdat ik in Rusland naar Sint Petersburg ben geweest. Daar heb ik zoveel moois en interessants gezien aan kastelen, burchten en kerken, dat mijn gevoel voor elke kerk die ik nu nog zie, doodslaat als bier in een vet glas. Het komt ook omdat de plaatselijke gids alleen maar Spaans spreekt, vreselijk uitvoerig is en dat moet onze eigen gids dan weer vertalen naar het Nederlands. Toledo is een mooi stadje bovenop een heuvelrug. Het weer is verrukkellijk, onze Spaanse gids kwettert weer dat het een lieve lust is en strooit met jaartallen of haar leven er vanaf hangt. Wij staan ongeveer in het midden van het stadje op een leuk pleintje en ik word recalcitrant.

Ik vraag hoe laat ik hier terug moet zijn om me weer aan te sluiten bij het gezelschap, want ik ga mijn eigen weg. Het blijkt dat ik twee uur de tijd heb, dus ik ga eerst wat rondneuzen en ben van plan om daarna lekker een terrasje te pikken en mij een koel biertje te laten serveren. Na een leuke tocht van ongeveer drie kwartier door al die nauwe straatjes wil ik terug. Voor m’n gevoel ben ik vlakbij, maar ik kan het toch niet vinden. Uiteindelijk loop ik nog een dik uur te zwoegen, maar al die smalle straatjes lijken op elkaar. Ik moet nog opschieten ook. Dat heerlijke terras kan ik wel vergeten. Een lichte paniek maakt zich van mij meester. Moet ik weer naar boven of juist naar beneden? Ik weet het niet meer. Dan komt er een groen Peugeotje door de straat. Ik weet het zeker, die gaat niet zonder mij verder. Er blijken twee nonen in te zitten. Als de bestuurster haar raampje opendoet zit ik bijna klem tussen de auto en de huizen. ,,Do you speak English?” De non achter Toledohet stuur wijst op haar medereizigster. Ik leg uit dat ik op een plein moet zijn met een McDonald’s. Ze probeert mij eerst uit te leggen waar het is, maar ik begrijp er niets van. ,,Can you bring me? I want to pay for it.” Weer veel Spaans temperament. Maar ze kunnen niet doorrijden zonder mijn tenen te pletten, dus uiteindelijk gaat de achterdeur open. Bezweet maar opgelucht stap ik in. Ze rijden een kwartier door de kleine straatjes en dan staan we, net op tijd, midden op het plein. De nonnen wilden het niet, maar ik heb die dag, vanwege deze nonnen, royaal aan de kerk geofferd. Het reisgezelschap zat lekker op het terras. Ze zien mij uitstappen: ,,Waar kom jij vandaan?” ,,Op de thee geweest bij moeder overste.”

Jacques Beket