Tot de zogenoemde mores (= zeden, gewoonten) van de universiteit in Nederland hoort dat de student zijn studie afrondt met een proefschrift en daar tien-plus-één stellingen bijvoegt. In die laatste, elfde stelling mag hij zijn hoogst persoonlijke licht doen schijnen op een of ander onderwerp dat hem hoogst persoonlijk bezighoudt. Ooit, ergens in de tweede helft van de vorige eeuw, toen de mobieltjes gemeengoed waren geworden, had een mooi-onderkoeld denkende filosoof als laatste stelling: ‘De woorden die men tegenwoordig in de trein het vaakst hoort, zijn: “Ik zit in de trein”.
Indien ik nu zou promoveren, zou ik als mijn laatste stelling overwegen: ‘De woorden die ik tegenwoordig in de liften in de gebouwen van Campus Woudestein het vaakst hoor, zijn: “I do not speak Dutch”; de vertaling van deze Engelse woorden staat als titel boven dit stukje.
Ter toelichting: ik kom nog steeds vaak in verschillende gebouwen van de EUR, en het is daar tegenwoordig meestal zo druk dat men relatief lang moet wachten tot een lift komt. Om mijn ergernis daarover weg te werken, debiteer meestal een of andere kwinkslag naar de andere wachtenden. Meestal antwoordt een van hen dan met de aangehaalde vijf woorden. Meestal werkt dat dan erg opbeurend op mijn stemming. Ik vraag dan altijd ‘What country do you come from?’ [= ‘Uit welk land kom(t) u/jij?’] en vaak leidt dat tot een aardig stukje conversatie in een of andere, andere taal dan Engels waarin ik mij ook een beetje kan uitdrukken.
De Engelse taal en onze universiteit … – It Is Me What [= ‘Het is me wat’; deze vier woorden vormen de iconisch geworden uitroep die een van onze ministers in ballingschap tijdens de Duitse bezetting van Nederland (1940-1945) in Londen placht te gebruiken om onbestemde sterke gevoelens uit te drukken].

Dit plaatje, van een ansichtkaart die te koop is in de winkel van SS Rotterdam, moge symboliseren wat in de tekst staat: voor studenten die dreigen te verdrinken in de oceaan van de verwarrende veeltaligheid van het wetenschappelijk onderwijs, heeft de naar Erasmus vernoemde universiteit een reddingsboei klaar.
Iemand die het professioneel moeilijk heeft met de relatie tussen de Engelse taal en onze universiteit is onze minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Ingrid van Engelshoven [Est nomen hic omen? Oftewel: Is deze naam hier een voorteken?].
Het probleem van de minister was de vorige week vrij uitvoerig aan de orde in de media. Zij ‘gaat … universiteiten vragen om “tekst en uitleg” te geven over het gebruik van Engels’, haal ik uit het Dagblad van het Noorden van 26 januari. ‘Ook gaat ze kijken of universiteiten niet de verkeerde financiële prikkels krijgen om voor het Engels te kiezen. Zo zegt de minister dat het gebruik van Engels niet alleen een instrument moet zijn in de concurrentiestrijd.’
Het is niet gebruikelijk dat een minister universiteiten gaat vragen om tekst en uitleg [in het Engels Chapter and verse]. Nu zijn de rapen echt gaar! [Now the turnips are cooked!].
Maar de minister hééft een punt. De krant van afgelopen zaterdag laat er geen misverstand over bestaan. Bas Heijne schrijft: ‘Globalisering brengt internationalisering van het hoger onderwijs met zich mee – daar hoort Engels bij. Als je je als kleine taal daartegen gaat verzetten, doe je op een gegeven moment niet meer mee. … Maar Nederlandse universiteiten en hogescholen maken nog altijd deel uit van de Nederlandse samenleving, waar taal bindmiddel bij uitstek is. Omdat die taal onmiskenbaar onder druk staat, lijkt het mij juist een taak van de universiteit er aandacht aan te geven – om het contact met de samenleving niet te verliezen, om de rijkdom van het Nederlands niet verloren te laten gaan.’
Als vervolg op mijn goede nieuws uit de EUR van vorige week meld ik dat ik begonnen ben een nieuwe eigen taal voor onze universiteit te creëren: Erasmian English. Volgende week leg ik uit wat dat is en hoe het werkt.
Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)
recent commentaar