Vorige week weer een nieuw woord geleerd. ’t Schijnt al langer te bestaan, maar ik leerde het pas in het kielzog van meerdere indringende artikelen in de krant. Het verdient gedegen aandacht en méér.
Het mooie begrip ‘diatribe’ komt bij mij op om aan te duiden wat ik bedoel. Een ‘diatribe’ (Grieks: διατριβή, letterlijk tijdverdrijf, manier om de tijd door te brengen) is de naam van een literair (sub)genre uit de Oudheid dat vanaf het begin van de derde eeuw v.C. gebruikt werd om voor het grote publiek problemen van praktische ethiek te behandelen, leer ik van Wikipedia; Erasmus gebruikte het woord om het genre te benoemen van zijn verhandeling over de vrije wil. Ik ben in goed gezelschap!
Ik begin mijn diatribe over de weigerpensionado met de stelling dat de woordcombinatie een gedrocht is. ‘Pensionado’ zonder weigering kenden we al veel langer. Het is een soort potjeslatijn Spaans voor een bejaarde landgenoot die na het bereiken van de zogenaamde ‘pensioengerechtigde leeftijd’ het hier voor gezien houdt en verkast naar, pak weg, Benidorm, een Spaanse kustplaats.
Ik kies deze plaats om drie redenen als voorbeeld: (1) Omdat hij zo mooi potjeslatijn Spaans is voor ‘goed slapen’ oftewel gewoon het zelfstandig naamwoord voor wat we bedoelen wanneer we aan het eind van de avond elkaar een goede nachtrust wensen. (2) Omdat hij met stipnotatie het lijstje aanvoert van de soort plaats waaronder het verschijnsel gerangschikt kan worden. Ik haal alweer uit Wikipedia: ‘ Vroeger was Benidorm een klein vissersdorpje, nu is het een van de bekendste badplaatsen in Europa. De bevolking kan hierdoor in de zomer oplopen tot boven de 500.000 mensen. Benidorm bezit na Londen en Parijs het grootste aantal hotelbedden van Europa. Door het grote aantal hotels en appartementen heeft Benidorm het grootste aantal hoge gebouwen naar bevolking ter wereld: gemiddeld is er voor elke 180 inwoners een gebouw van 35 meter of hoger. Door deze hoge gebouwen en het feit dat Benidorm in de zomer nooit slaapt wordt de stad ook weleens Beniyork genoemd.’ (3) Omdat op verschillende Engelstalige tv-stations al meer dan tien jaar een comedy loopt onder de titel ‘Benidorm’ over de groteske idioterie van Benidorm; lees verder zelf maar na op Wikipedia.
En ik, al meer dan 15 jaar tevergeefs weigerend om gepensioneerd te worden, en al mijn landgenoten die vóór 1953 zijn geboren [woorden als ‘bejaarde’ of ‘senior’ zijn voortaan taboe, net als, pak weg, ‘nikker’ of ‘juffrouw’] maar dit niet zo belangrijk vinden, worden dus nu gerangschikt onder déze idiote naam.

Mijn aversie tegen “Benidorm” gaat niet zo ver dat ik me niet zou kunnen inleven in mensen die het aardig vinden ergens anders op aarde een tweede huis(je) te hebben, al moet ik daar zelf niets van hebben; alles wat ik nodig heb, vind ik in Rotterdam, en de rest stoort alleen. Maar goed, ieder z’n meug en onder mijn vrienden en verwanten heb er verschillende die zoiets wel hebben. Een van de jongere onder hen heeft zo’n optrekje in Plettenberg. Dat is een stadje van zo’n 25.000 inwoners op redelijke afstand van de oostgrens van Nederland. Het plaatje geeft het uitzicht van het huisje op het stadje; ik heb dit plaatje uitgekozen om te illustreren wat ik bedoel, omdat een subliem toeval maakt dat – óók gelezen op Wikipedia – de filosoof bij uitstek die ik meeneem naar Den Haag in Plettenberg geboren (1888), getogen en gestorven (1985) is, en daartussen veel gewoond heeft. Hij geldt als een van de controversieelste denkers van de twintigste eeuw. Een van zijn vele belangrijke boeken heet ‘Politieke Theologie’ (1922). Dàt is wat ik zoek.
Ik zoek troost in de dramatiek. Die vind ik in leven, denken en werk van de grote Voltaire, de Franse vrijdenker wiens ware naam François-Marie Arouet (1694-1778) was. Volgens een legende waarover ik zelfs op Wikipedia geen verdere bijzonderheden heb kunnen vinden, liep die in november 1755 in een eenmansdemonstratie, met gebalde vuisten verticaal omhoog geheven, door Parijs, tegen God die kort daarvoor (op Allerheiligen!) de stad Lissabon en een heel stuk omgeving had verwoest door een aardbeving. ‘Je proteste!’, riep Voltaire alsmaar omhoog.
Een beetje net zo maar tegelijk ook tamelijk anders, loop ik nu in mijn verbeelding in een demonstratie met dezelfde kreet en met gebalde vuisten – alleen niet verticaal omhoog naar de hemel, maar horizontaal in noordwestelijke richting waar in Den Haag de onverlaten mij achteloos opzijgezet hebben als wat nu dus ‘weigerpensionado’ wordt genoemd.
Lezer, ik waarschuw u. Wie wind zaait, zal storm oogsten. Vandaag gaat het over de weigerpensionado, over enige tijd komt als nieuw woord de ‘voltooide’ in de media. Via de media komt die in de politiek en via de politiek kruipt die door in wat dan toch nog geneeskunde zal heten van waaruit u dan op uw 65e een verplicht nummertje ‘stervenshulp’ oftewel een intussen routine geworden ‘voltooid-leven-behandeling’ toegediend zult krijgen. Lees mijn vorige stukjes hierover in De Ster en huiver.
Meld u aan voor De Ster nieuwsbrief (U ontvangt een bevestigingsmail)
Ik herlees wat ik hierboven geschreven heb en realiseer me dat ik in mijn woede over de kwalificatie weigerpensionado waarmee ik word opgezadeld vergeten ben bij mijn uitleg waarom Plettenberg zo aardig vind, de naam te noteren van ‘de filosoof bij uitstek die ik meeneem naar Den Haag’ om te protesteren.
Het was Carl Schmitt – een van de controversieelste denkers van de twintigste eeuw. Tijdens de Weimarreubliek (1918-1932) was hij een vurig verdediger van een versterking van de grondwet én van een verbod op Verfassungsfeindliche politieke partijen, speciaal de communisten. Enkele weken na de machtssovername door Hitler verscheen Schmitts eerste artikel waarin hij het nieuwe regime steunde en andere juristen opriep zich eraan te conformeren. In het verlengde hiervan werd hij in mei 1933 lid van de NSDAP. Van 1933 tot 1936 werkte Schmitt voor het nationaalsocialistische regime en schreef artikelen die het regime steunden, met enkele die ook uitgesproken antisemitisch waren. In 1936 viel hij, na een actie van de SS, in ongenade en werd hij van alle politieke functies ontheven. Na de oorlog werd hij gevangengenomen door de Russen. Na verhoor werd hij weer losgelaten. Ook werd hij gevangengenomen door de Amerikanen. In 1947 kwam hij weer op vrije voeten. Hij verklaarde onder meer: “Ik heb gedronken van de nazi-bacil, maar ben niet besmet geraakt.” Na zijn vrijlating ging Schmitt wonen in zijn geboortedorp.
Ik haal uit een site over filosofie een tekst uit 2006 van Antoon Braeckman:
Sinds enige tijd staat het politieke denken van Carl Schmitt (1888- 1985) opnieuw in de belangstelling. Vooral in Anglo-Amerikaanse kringen is zijn oeuvre momenteel aan een echte heropleving toe. De oorzaken daarvan zijn onmiskenbaar meervoudig, maar de actuele politiek-filosofische probleemstellingen rond de toekomst van de democratie in een postnationale constellatie zijn er zeker niet vreemd aan. Carl Schmitt heeft namelijk als geen ander kritische vragen gesteld bij de overlevingskansen van de liberale democratie en bovendien staan zijn opvattingen over politiek lijnrecht tegenover de huidige ontwikkelingen naar een nieuwe politieke wereldorde. Het politieke denken van Carl Schmitt vormt dus in meerdere opzichten een uitdaging aan het adres van diegenen die vandaag op zoek zijn naar een post-nationale gestalte van de liberale democratie. En dat wordt op het terrein ook met zoveel woorden erkend. Habermas, om maar een van de iconen van de huidige politieke filosofie te vermelden, laat in zijn recente teksten niet na de discussie met Carl Schmitt op te zoeken. En hetzelfde geldt voor andere auteurs van veeleer linkse signatuur, zoals Chantal Mouffe, die in Schmitts denken mogelijkheden ziet voor een ‘agonistisch’ democratiemodel. Stuk voor stuk begrijpen zij dat een politiek-theoretische conceptualisering van de democratie voorbij de grenzen van de natiestaat een antwoord moet inhouden op Carl Schmitts kijk op het wezen van de politiek, begrepen als de tegenstelling tussen vriend en vijand.
Opzet van dit nummer van Wijsgerig Perspectief is een inleiding te bieden op het controversiële denken van Carl Schmitt. Conform het gebruikelijke sjabloon gaat het nummer van start met een inleidend artikel – van de hand van Maurice Weyembergh –, waarin de figuur en de rechts- en politiek-filosofische geschriften van Carl Schmitt gesitueerd worden in het intellectuele klimaat van het interbellum en de na-oorlogse periode. Tegelijk wordt gewezen op de opvallende constanten in Schmitts lange intellectuele en politiek-filosofische carrière. Vervolgens haken twee meer gefocaliseerde bijdragen in op specifieke probleemstellingen in Schmitts denken. De eerste, geschreven door Theo de Wit, zoomt in op Schmitts politieke theologie. Volgens De Wit kunnen we van Schmitt vooral leren dat de privatisering van de religies als middel voor hun politieke neutralisering – zoals die sinds Hobbes onafgebroken gepraktiseerd is in de moderne politiek – haar grenzen heeft, vooral in een democratische politieke orde. Met de nadrukkelijke plaats die de religies vandaag opnieuw lijken op te eisen binnen de publieke ruimte, ligt de actualiteit van Schmitts visie hier dan ook voor het grijpen. De bijdrage van Bart Raymaekers besteedt vervolgens aandacht aan de belangwekkende discussie tussen Carl Schmitt en Leo Strauss over het begrip van de politiek. Strauss toont aan dat Schmitt in zijn kritiek op de politieke cultuur van zijn tijd uitgerekend aan die cultuur schatplichtig blijft. De afsluitende vierde bijdrage van Stefan Rummens concentreert zich op de receptie van Carl Schmitt in het hedendaagse politiek-filosofische debat, zoals dit onder meer terug te vinden is bij een auteur als Chantal Mouffe. Geïnspireerd door Schmitts concept van het politieke én zijn inschatting van de intrinsieke spanning tussen democratie en liberalisme, formuleert Mouffe belangrijke vragen bij het politieke liberalisme van Rawls en het concept van de deliberatieve democratie bij Habermas.
Beste heer Verbrugh,
Volgens mij is de reactie hierboven geen reactie maar een protest kopie paste uit het verleden…AUBWIB